Kijk op kansen

voor economische vitaliteit en leefbaarheid

Veertien jaar heroïneverstrekking in de Kaatstraat

Een ’lastige’ voorziening met positieve effecten

In het voorjaar van 2000 opende het Project Gecontroleerde Heroïneverstrekking (PGH) de deuren aan de Kaatstraat in Utrecht. Dit was onderdeel van een landelijk experiment waarbij op medisch voorschrift heroïne werd verstrekt aan ernstige verslaafden. Zij zouden hierdoor een menswaardig bestaan krijgen, terwijl de samenleving minder last zou hebben van criminaliteit. Eind 2014 is de behandelunit verhuisd naar het nieuwe stadskantoor van de gemeente Utrecht. In dit artikel een terugblik en antwoord op de vraag: Wat zijn de belangrijkste (succes)factoren bij het vestigen van een maatschappelijk omstreden voorziening in een woonomgeving? Zorgvuldige aandacht voor goed omgevingsbeheer blijkt een belangrijke sleutel tot succes in veertien jaar PGH de Kaatstraat.

De komst van het project was zeker niet onomstreden. Bij bewoners en ondernemers ontstond veel onrust. Met leuzen als: “De kinderen achter de tralies en de junks op straat,” werd de angst voor een toename van het aantal rondhangende verslaafden en dealers in de buurt onder woorden gebracht. Daarbij speelde mee dat de woonbuurten in de omgeving van de Kaatstraat eind jaren negentig nog midden in de stadsvernieuwing waren. Er werd gesloopt, er stonden panden leeg, bewoners vertrokken en er was weinig sprake van sociale cohesie. Daarnaast waren drugsverslaafden en de daarbij behorende problematiek een bekend en zorgwekkend fenomeen voor de wijk. Ondanks deze voorgeschiedenis leert de ervaring aan de Kaatstraat dat het goed mogelijk is om maatschappelijk omstreden voorzieningen te vestigingen in een woonwijk, mits er sprake is van goed omgevingsbeheer. In deze terugblik volgt eerst een korte geschiedenis van het PGH, waarna wordt gekeken naar de ontwikkeling van overlast in, en de leefbaarheid en veiligheid van, de directe omgeving van de Kaatstraat. Tot slot wordt ingegaan op de eisen die een maatschappelijk omstreden voorziening stelt aan afspraken tussen de gemeente en bewoners over omgevingsbeheer.

Een korte geschiedenis

De discussie over de ‘medische’ verstrekking van heroïne kende in 2000 al een lange voorgeschiedenis. Vanaf midden jaren zeventig werd er door de politiek en door de verslavingszorg over gedebatteerd. In juli 1998 startte een medisch experiment met proefprojecten in Amsterdam en Rotterdam. Aangezien die goed verliepen besloot de Tweede Kamer begin 1999 om het landelijk experiment officieel te starten, met nieuwe behandelunits in Den Haag, Heerlen, Groningen en Utrecht. De gemeente Utrecht koos aanvankelijk voor een pand in de Lange Smeestraat. Dit leidde echter tot zeer felle en emotionele protesten en tot juridische procedures. Als alternatief kwam de Kaatstraat in beeld. Ook dit voornemen leidde tot protesten. Echter, tijdens een van de informatieavonden gaf een groep van zo’n tien buurtbewoners aan dat zij met de gemeente in gesprek wilde over de voorwaarden waaronder de vestiging van het PGH plaats zou kunnen vinden. Uit dit initiatief is later de Stichting Pijlsrecht ontstaan, de convenantpartij namens de buurtbewoners. Dit was de start van de tijdelijke vestiging van het PGH aan de Kaatstraat, dat in 2004 een permanent karakter kreeg.

Leefbaarheid en overlast in de buurt

Tijdens de hele vestigingsperiode is er onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van de leefbaarheid en veiligheid in de wijk. Door de jaren heen was er sprake van een licht positieve ontwikkeling in de beoordelingen van de bewoners in de buurt. Het algemeen oordeel van de buurt steeg van 7,0 naar 7,8. Het oordeel over veiligheid van 6,0 naar 6,7 en de beoordeling van de netheid van de buurt van 6,0 naar 7,2. Ook de bekendheid van het PGH nam langzaam af en de voorziening leek langzaam op te gaan in de omgeving. Met de komst van het PGH werd tevens een heel pakket aan veiligheidsmaatregelen genomen, waardoor volgens betrokkenen de veiligheid in Pijlsrecht sneller dan in omliggende gebieden verbeterde. 

In de beginperiode kwamen er wel regelmatig meldingen binnen bij het speciaal opgerichte ‘klachtenmeldpunt’. Vaak gingen die over mensen die in de buurt rondliepen of rondhingen, waarvan buurtbewoners vermoedden dat ze deelnemers waren van het PGH. In veel gevallen was echter niet duidelijk wie de veroorzaker van de overlast was en of deze persoon deelnemer van het project was dan wel hierdoor aangetrokken werd om naar de wijk te komen. Hierdoor bleef het lastig om een directe relatie te leggen tussen het PGH en de situatie in de omgeving. Bij overlastsituaties en klachten rond het PGH werd herhaaldelijk  de betrokkenheid van deelnemers gecheckt. Daarvan werd nooit bewijs gevonden. Na 2008 kwamen er geen klachten meer binnen die betrekking hadden op het PGH.

 Lessen uit veertien jaar Kaatstraat

  • Een belangrijk aspect in het omgevingsbeheer van de Kaatstraat was de begeleidingscommissie die bij de start werd ingesteld. Die bestond uit buurtbewoners, politie, het PGH, de gemeente en het opbouwwerk. De commissie had de taak om de ontwikkelingen in en rond het PGH nauwlettend te volgen en om maatregelen voor te stellen om problemen aan te pakken. Essentieel was de (bijna) continue aanwezigheid van enkele bewoners, de gemeentelijke projectleider en de opbouwwerker.
  • Het was minstens zo belangrijk dat betrokkenen elkaar troffen en informatie konden uitwisselen, bijvoorbeeld over de huisregels van het PGH. Die huisregels zorgden ervoor dat het PGH cliënten nadrukkelijk kon aanspreken op ongewenst gedrag voor de buurt. Het PGH hanteerde sancties die, afhankelijk van de overtreding, konden oplopen van een waarschuwing tot een tijdelijke of zelfs definitieve schorsing van de behandeling. Gedurende de veertien jaar werd overigens slechts een enkeling geschorst.
  • Het geven van heldere en volledige informatie kan veel weerstand voorkomen. Die informatie dient zowel duidelijkheid te bieden aan de buurtbewoners als aan de professionele partners. Die openheid mag uiteraard niet stoppen als een project draait. De betrokkenen moeten met elkaar in gesprek blijven over wat wel en wat niet goed gaat.
  • Voor professionals geldt de opgave dat zij de grote en kleine zorgen bij bewoners serieus nemen. Dat betekent niet dat op voorhand alle zorgen weggenomen kunnen worden. Dat hoeft ook niet, als er maar aandacht voor is. Verschillende partijen hebben verschillende belangen en verantwoordelijkheden. Het is onmogelijk om het over alles eens te worden.
  • Bij projecten als deze zijn personele wisselingen bij de betrokken organisaties lastig. Daarmee gaan kennis, geschiedenis en afspraken verloren. Samen met het netwerk dat de vertrekkende persoon heeft opgebouwd in de wijk. Een zekere mate van stabiliteit in betrokken personen is een belangrijke kracht binnen het project.
  • Het zo snel mogelijk zorgen voor een menselijk gezicht van een voorziening kan bijdragen aan de acceptatie. Bij een PGH en vergelijkbare voorzieningen gaat het uiteindelijk om individuele mensen in een kwetsbare positie en niet om een anonieme groep mensen.

 Het doel behaald

Terugkijkend op veertien jaar PGH in de Kaatstraat kan geconcludeerd worden dat de angsten en zorgen van sommige buurtbewoners bij de start geen werkelijkheid zijn geworden. Door goed omgevingsbeleid en duidelijke huisregels is de overlast die in het begin ontstond in de kiem gesmoord. De samenwerking tussen en inzet van bewoners, de gemeente, het PGH, politie en opbouwwerk heeft bijgedragen aan een positieve ontwikkeling van het beheergebied. Rob Steinebach: “In de veertien jaar is de voorziening zelf nooit ter discussie gesteld. Daarmee is het doel behaald: er is geen sprake geweest van onduldbare overlast voor de omgeving.”

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Brechtje Schildkamp, b.schildkamp@seinpost.com of 06-1037 2979.